In de middeleeuwen verleenden graven, hertogen en bisschoppen in het huidige Nederland bijna tweehonderd plaatsen stadsrechten. Ook Hoorn kreeg die eer – in het voorjaar van 1356.
Een groep vooraanstaande inwoners trok dat jaar naar het hof van graaf Willem V van Holland (1330–1389) in Haarlem met een duidelijk doel: hun groeiende handelsplaats moest officieel de status van stad krijgen.

Stadsrechtoorkonde van Hoorn, 27 maart 1356, met de zeven specifieke Hoornse artikelen en alle 71 rechten en privileges die zijn overgenomen van het stadsrecht van Medemblik. Collectie: Westfries Archief.

De bevestiging van de aan Hoorn verleende stadsrechten, met enkele aanvullende bepalingen. Bezegeld namens graaf Willem V op 7 juli 1356. Collectie: Westfries Archief.
De handel in stadsrechten
In de middeleeuwen werden stadsrechten vaak met een duidelijk doel verleend. In de dertiende eeuw draaide dat vooral om macht en militaire strategie: een graaf kon zo zijn invloed vergroten, rivalen te slim af zijn of extra geld en manschappen krijgen voor zijn oorlogen. In de veertiende eeuw veranderde dat. Stadsrechten werden toen vooral verleend om financiële en economische redenen. De stadsrechten vulden de grafelijke schatkist én stimuleerden de groei van steden. Rond 1340 werd voor het eerst contant betaald voor stadsrechten in plaats van via jaarlijkse belastingen – de handel in privileges nam daarna snel toe.
Wie in de veertiende eeuw stadsrechten wilde, moest die officieel aanvragen bij de landsheer. De aanvragers – de zogeheten destinatarissen – onderhandelden met de graaf over de voorwaarden, zoals belastingen en verplichtingen. Vervolgens werd een stadsrechtsoorkonde opgesteld, die door de graaf werd bezegeld.


Portret van Willem V van Beieren (links) en Albrecht van Beieren (rechts), 1595-1605. Collectie: Haags Historisch Museum.
Hoorn en de graaf
In het geval van Hoorn gebeurde dit op 27 maart 1356, toen de delegatie uit Hoorn in hun beste kleren de Gravenzaal in Haarlem betrad. Hoewel Willem V formeel nog graaf was, werd het bestuur feitelijk waargenomen door zijn broer Albrecht van Beieren (1336–1404), die namens zijn geesteszieke broer handelde.
Het initiatief kwam van de inwoners van Hoorn zelf, maar er waren ook gezamenlijke belangen. De graaf gaf als reden van verlening ‘de meneghe trouwe dienst’ die de Horinezen hem hebben bewezen en nog zullen bewijzen. Daarnaast scheen graaf Willem V dringend behoefte te hebben aan geld om zijn manschappen te betalen, vanwege de in 1355–1356 woedende Stichtse Oorlog (1355–1356).
Een fenomenaal bedrag
Vrijwel alle steden in Holland betaalden voor hun stadsrechten. In 1355 kregen onder meer Monnickendam, Weesp, Naarden en Enkhuizen hun privileges; een jaar later volgden Edam en Hoorn. Uit een kwitantie van 7 juli 1356 blijkt dat Hoorn een fors bedrag betaalde:
“…dat wi ontfangen hebben van onsen goeden luden van Hoorne alse van horen poert rechte dat si tyghens ons ghecoft hebben vijftienhondert ende vijftich schilde…”

De kwitantie waarin graaf Willem V kenbaar maakt 1550 schilden van Hoorn te hebben ontvangen voor het stadsrecht, 7 juli 1356. Collectie: Westfries Archief.

In 1354 voert Willem V zijn gouden schild in als standaardmunt en rekeneenheid in het Graafschap Holland. De munt dankt zijn naam aan het wapenschild van de muntheer, die op de voorzijde is afgebeeld. Hoorn betaalde in 1356 haar stadsrechten met 1550 van deze gouden schilden. Links de voorzijde van het schild met daarop de graaf Willem V tussen de Hollandse leeuw en het Beiers wapen. Rechts de achterzijde van het schild met daarop het Beiers-Hollands wapen. Collectie: Wikipedia.
De inwoners van Hoorn moesten dus diep in de buidel tasten: zij betaalden maar liefst 1550 schilden (gouden munten). Omgerekend een bedrag van ruim €200.000,-. Een indrukwekkende som, en een teken dat stadsrechten niet alleen eer en privileges brachten, maar ook een belangrijke inkomstenbron waren voor de graaf.
De bekrachtiging
De stadsrechtsoorkonde werd opgesteld en voorzien van het grafelijke zegel, waarmee de verlening officieel werd bekrachtigd. Kort daarna reisden de Horinezen naar de abdij van Egmond, waar een vidimus – een Latijnse kopie van de oorkonde – werd opgemaakt als bewijsstuk. Deze kopie stelde Hoorn in staat om, op kosten van de graaf, een nieuw exemplaar te verkrijgen als het origineel ooit verloren zou gaan. Op 30 maart 1356 aanvaardden de afgevaardigden de oorkonde en keerden trots terug naar Hoorn.
Een stad is geboren
Vanaf dat moment mocht de nederzetting zich officieel een stad noemen. De nieuwe status bracht rechten en plichten met zich mee, maar vooral ook trots. En dat werd in Hoorn uitgebreid gevierd.
De originele, gezegelde stadsrechtoorkonde was veel te belangrijk om in de dagelijkse praktijk te gebruiken voor het beantwoorden van rechtsvragen. Hiervoor werden afschriften in de privilegeboeken van Hoorn gebruikt. Het Hoornse stadsrecht werd daarom eeuwenlang veilig bewaard in het stadhuis op de Roode Steen. In 1797 werd dit gebouw afgebroken en verhuisden het stadsrecht, andere privileges, keurboeken, resoluties, stadstekeningen en nog veel meer papieren naar het nieuwe stadhuis: het voormalige Statenlogement aan de Nieuwstraat te Hoorn.

Adriaan Doesjan maakt deze tekening van het Oude Raadhuis in Hoorn op 23 augustus 1797. Het gebouw wordt in datzelfde jaar verkocht voor de afbraak en gesloopt, Collectie: Westfries Archief.
Hoorn na de stadsrechten
Rond het midden van de veertiende eeuw was Hoorn uitgegroeid tot het handelscentrum van West-Friesland. Kooplieden uit onder meer Denemarken en Noord-Duitsland vestigden zich er, en Hoorn speelde een rol in de scheepvaart op de Zuiderzee. Hoorn was bovendien een belangrijke overslagplaats voor goederen richting het achterland, en kende een bloeiende lakennijverheid. Het hart van de nederzetting lag op de Roode Steen, waar de markt en de Waag zich bevonden. In 1335 telde Hoorn naar schatting zo’n 420 inwoners in ongeveer 70 houten huizen – nog niet direct een stad in wording. Toch werd er al gebouwd aan een kerk en een gasthuis, en beschermde de Westfriese Omringdijk de bewoners tegen de Zuiderzee. Van stadsmuren was nog geen sprake.
Kaart van Hoorn anno 1426. Vermoedelijk maakt Paulus Jolly rond 1850 deze reconstructiekaart van Hoorn anno 1426. Collectie: Westfries Archief.
In vergelijking met 1355 is het aantal inwoners van Hoorn in 1426 sterk gegroeid. De stad telt op dat moment ongeveer 3800 inwoners en circa 650 huizen. Hoorn is 70 jaar na het verkrijgen van stadsrechten uitgegroeid tot een middelgrote stad die omwald en omgracht is.

Plattegrond van Hoorn (uitsnede), ruim twee eeuwen na het verkrijgen van stadsrechten. Vervaardigd door Jacob van Deventer in 1560. De bebouwing is weergegeven in bruin. De kaart toont de groei die Hoorn heeft meemaakt. Het grondgebied van de stad is uitgebreid naar het noorden, een groot deel nog niet is bebouwd. Concentraties van de bebouwing bevinden zich onder andere langs de Westfriese Zeedijk (Grote Oost en West) en het Kleine en Grote Noord. In twee eeuwen tijd heeft de stad er ook behoorlijk wat kerken en kloosters bijgekregen. Rondom de stad bevindt zich een stadswal. Collectie: Westfries Archief.
Bronnen
Vereniging Oud Hoorn, Jubileumnummer van het kwartaalblad, Hoorn 650 jaar, 29e jaargang, maart 2007.
Cox, Joost C. M., Repertorium van de stadsrechten in Nederland (Oisterwijk, 2012).
