De stadsrechtoorkonde opent met het intitulatio: de naam en de titel van de uitvaardiger. In het geval van Hoorn is dat dus ‘hertog Willem van Beleren, graaf van Holland en Zeeland, heer van Friesland en verbeider van het graafschap van Henegouwen’. Daarna volgt de inscriptio: de adressering, aan wie de oorkonde is gericht. Vervolgens worden zeven specifiek Hoornse bepalingen genoemd, ook in het Middelnederlands. In het middenstuk wordt de Latijnse tekst van de stadsrechtoorkonde van Medemblik uit 1289 – bestaande uit 71 artikelen – overgenomen. Hierna wordt het Middelnederlands weer gebruikt en staat er in de stadsrechtoorkonde dat al deze artikelen gelden voor de ‘goede lieden van onze stad Hoorn en hun nakomelingen’. Tot slot worden de datum, de plaats van verlening en de getuigen benoemd.

Stadsrechtoorkonde van Hoorn, 27 maart 1356, met de zeven specifieke Hoornse artikelen en alle 71 rechten en privileges die zijn overgenomen van het stadsrecht van Medemblik. Collectie: Westfries Archief.
De zeven specifiek Hoornse artikelen in de stadsrechtoorkonde
I. Uitgezonderd dat zij nooit inwoners van de baljuwschappen van Kennemerland, (West-) Friesland of Medemblik als poorters van Hoorn zullen toelaten, waar die ook wonen en die een jaar binnen onze vrije steden hebben gewoond en aldaar poorter (zullen) zijn binnen de voornoemde baljuwschappen.
II. En wanneer iemand uit een van de voornoemde vrije steden binnen de vrijheid van Hoorn wil komen wonen en daar poorter worden, en zijn poorterrecht elders opgeeft, die mag men in Hoorn als poorter opnemen.
III. Voorts mag eenieder aldaar poorter worden door huwelijk of door vererving van goederen.
IV. Voorts welke poorter, die men daar zal toelaten, hetzij vanwege huwelijk, vanwege erfenissen of hoe dat ook zij, die enig misdrijf had begaan en men binnen een jaar nadat hij poorter is geworden, aanklaagt, zal die poorter geen vrijheden genieten vooraleer hij dat misdrijf heeft vergoed volgens het recht van het gebied waar die misdaad is gepleegd.
V. Voorts zullen wij behouden onze tol, cijns, wissel, waag, maat en al onze andere rechten binnen Hoorn, uitgezonderd dat onze poorters aldaar mogen tappen zonder tol of cijns te betalen.
VI. Voorts zullen zij ons dienen in onze heervaart met twaalf mannen.
VII. Voorts zal de vrijheid van Hoorn aldus ruim worden bepaald aan de oostzijde daar zal die zijn buiten de buitenste huizen 25 roeden, aan de zuidzijde tot in de zee, aan de westzijde al zo ver als het bolwerk gaat, en aan de noordzijde van de buitenste huizen 25 roeden en verder van de kerkgracht 25 roeden in de omtrek.
De ‘moederstad’ Medemblik
Voor het opstellen van stadsrechtoorkondes wordt over het algemeen gedeeltelijk of geheel gebruik gemaakt van al bestaande stadsrechtoorkondes van andere steden. De zogeheten ‘moederstad’ van Hoorn is Medemblik. In de Hoornse stadsrechtoorkonde is daarom de oorkonde van Medemblik één op één overgenomen, waarbij “Hoorn’ in plaats van ‘Medemblik’ gelezen dient te worden. Dit stadsrecht wordt al zeven generaties doorgeleverd: van Leuven aan Den Bosch, aan Haarlem, aan Alkmaar en aan Medemblik. Medemblik geeft het stadsrecht door aan Enkhuizen, Monnickendam, Hoorn, Edam, Grootebroek en Schellinkhout. Vervolgens geeft Schellinkhout het stadsrecht door aan de West-Friese plattelandssteden.
Tolvrijheid
Een zeer belangrijk privilege voor Hoorn is de vrijdom van tol. Dit privilege houdt in dat de stad wordt vrijgesteld van het betalen van één of meerdere tollen op land- en vaarwegen in het graafschap Holland. Voor de handelaren in Hoorn is dit natuurlijk van groot belang. Het heffen van tol, accijns, een waag en bepalen van de maat, blijven rechten van de graaf.
Rechtspraak
Eén van de belangrijkste betekenissen van het nieuwe stadsrecht is het feit dat Hoorn overeen eigen stadsbestuur, het keurrecht (eigen stedelijke rechtsregels opstellen) en eigen stedelijke rechtspraak mag beschikken. De rechtspraak is in handen van de schout en de schepenen. Hoorn krijgt bij het verlenen van de stadsrechten meteen het recht op hoge jurisdictie. Er mogen dus niet alleen boetes uitgedeeld worden, ook zware straffen vallen onder de rechtsmacht. De verschillende straffen zijn benoemd. Zo kan men onthoofd worden in het geval van diefstal, verkrachting en brandstichting (aangezien de stad vooral uit houten huizen bestaat en brand dus een groot risico vormt voor iedereen). Het gebruik van valse maten en gewichten, vechten en huisvredebreuk wordt bestraft met hoge geldboetes. Artikel 23 laat zien dat de straffen zwaar, maar ‘evenredig’ zijn: ‘Iedere geweldpleger zal, wanneer hij door schepenen schuldig is bevonden aan de geweldpleging, hoofd om hoofd, oog om oog en gelijk lid om gelijk lid van zijn eigen lijf moeten verliezen’. De rechtspraak vindt plaats in het stadhuis op de Roode steen. Het uitspreken van het vonnis vindt plaats voor het gebouw in de openlucht: op de rode steen.

Een belangrijk symbool van de juridische onafhankelijkheid van steden was het galgenveld. Daar werden de lichamen van geëxecuteerden naar toe gebracht, aan de galg gehangen of op het rad gelegd. De galg en rad van Hoorn bevindt zich in 1638 aan de Westerdijk. Tekening van Pieter van der Meersche, 1638. Collectie: Westfries Archief.
Het poorterrecht
Inwoners van de stad krijgen het poorterrecht, ook wel burgerrecht genoemd. Men kan poorter worden door huwelijk en vererving van goederen. Voor nieuwe poorters staan de stadspoorten altijd open, op ‘de voorwaarde dat hij ons en onze opvolgers en deze stad trouw zweert, onder betaling van vier penningen aan de schout, een penning aan de bode en voor het besluit van de schepenen drie schellingen’. Andere rechten van het poorterschap zijn onder andere het recht om niet te worden uitgeroepen (een poorter kan alleen berecht worden door de schepenen in zijn/haar eigen stad) en inschuld (verplichting om een afgesproken prestatie uit te oefenen).
Jaarmarkten
Het privilege om (jaar)markten te mogen organiseren is aantrekkelijk voor zowel de stad als de graaf. De stad profiteert hiervan vanwege groei van de handel en inkomsten (zoals boetes en uitgaves van bezoekers en handelaren). De graaf profiteert doordat hij extra inkomsten aan accijns en tollen ontvangt. Hoorn mag ieder jaar een markt organiseren: ‘die begint op de dag van Bonifatius en wij hebben toegestaan dat die gedurende de veertien dagen die daar direct op volgen, mag voortduren, waarbij de tol van genoemde markt aan ons en onze opvolgers voorbehouden blijft’.

Prent van het stadhuis en de kaasmarkt op de Roode Steen in de zeventiende eeuw. Vervaardigd door Cornelis Johannes Steenberg in 1916. Collectie: Cornelis Johannes Steenberg, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, ST-1.575.
Agrarisch
Dat er in Hoorn in 1350 nog steeds sprake is van een deels agrarische gemeenschap, blijkt uit de artikelen waar toestemming wordt verleend aan de poorters om gedurende de zaai- en oogsttijd een bepaalde tijd buiten de stad te mogen verblijven. In principe dienen de poorters namelijk het gehele jaar in de stad te wonen om de stedelijke belangen te verdedigen en elkaar als poorters bij te staan.
De plichten: bede en heervaart
Hoorn heeft uiteraard verplichtingen tegenover graaf Willem V. Naast de vanzelfsprekende loyaliteit (door middel van een eed van trouw), worden de bede en heervaart in de stadsrechtoorkonde benoemd als fundamentele recht van de graaf. Het recht om jaarlijks een (meestal) vast bedrag belasting van zijn onderdanen te heffen, is de ‘bede’. De graaf heeft ook het recht om twaalf mannen op te roepen voor een soort collectieve dienstplicht: de heervaart. Voor de bewapening zorgt de schutterij.
